Systemisch kijken naar ouderschap: wat je kind je probeert te laten zien
De afgelopen tijd heb ik niet alleen geleerd over systemen, teams en organisaties. Ik heb vooral veel geleerd over mezelf. En misschien was dat wel de meest waardevolle les van allemaal.
Ik rondde mijn opleiding tot systemisch begeleider van teams en organisaties af. Een opleiding die me niet alleen nieuwe kennis en vaardigheden gaf, maar vooral nieuwe inzichten. Over wat er speelt in een groep. In een organisatie. In een systeem. Maar vooral: in mij.
Elke oefening, elke opstelling, elk moment van stilte liet me iets zien. Niet alleen over de ander, maar ook over mijn eigen plek. Mijn bewegingen. Mijn patronen.
Ik ontdekte dat ik soms harder ga werken als ik het niet weet. Dat ik het graag goed wil doen. Dat ik het graag oplos — voor de ander, maar ook voor mezelf. En ik ontdekte: hoe meer ik probeer op te lossen, hoe minder ik kan zijn. Hoe meer ik stuur, hoe minder ruimte er is voor het geheel.
Daarin zit mijn les. Dat ik niet alles hoef te weten. Dat ik niet alles hoef te fixen. Dat ik mag kijken. Luisteren. Vertrouwen. Ook als het spannend wordt. Ook als iets in mij geraakt wordt.
Want hoe beter ik mezelf zie, hoe beter ik de ander kan zien. Hoe meer ik mijn eigen pijn en onzekerheid erken, hoe minder ik die projecteer op de ander. Hoe meer ruimte ik in mezelf maak, hoe meer ruimte ik kan geven aan de ander.
En dat… dát maakt dat ik mijn werk met zoveel liefde en toewijding doe. Niet perfect. Niet alleswetend. Maar aanwezig. Met een open hart.
Het raakte me, omdat het me zoveel liet voelen over mijn rol als begeleider, coach, trainer, ouder, mens.
Ik geloof dat ieder kind, elke jongere, elke volwassene een unieke puzzel is. Niet zomaar een puzzel van honderd stukjes, maar een ingewikkelde, kleurrijke puzzel. Met vormen en lijnen die niemand anders heeft.
En jij… jij bent de volwassene die meehelpt om die puzzel te leggen. Als ouder. Als leerkracht. Als begeleider.
Elke dag probeer je de stukjes te begrijpen. Waar hoort dit stukje? Hoe past dat randje? Wat betekent deze vorm? En soms lijkt het alsof je de doos kwijt bent. Het voorbeeldplaatje ontbreekt. Je weet niet precies waar je naartoe werkt.
De omgeving van een kind — thuis, school, vrienden — is allesbepalend voor hoe die puzzel langzaam vorm krijgt. Hoe meer mensen meekijken, hoe meer stukjes zichtbaar worden. Hoe sneller iemand zegt: “Oh, dat stukje hoort daar!” hoe eerder het kind zichzelf kan gaan zien.
En ik? Ik stel me weleens voor hoe mijn puzzel eruit had gezien… als mijn omgeving anders was geweest. Als er volwassenen waren geweest die me écht zagen. Niet alleen mijn gedrag, maar ook wat daaronder zat. Niet alleen mijn resultaten, maar ook mijn worstelingen.
Wat als iemand had gezegd:
- “Ik zie je.”
- “Ik snap je.”
- “Ik begrijp waarom je doet zoals je doet.”
Wat als ze hun begeleiding hadden afgestemd op wie ik werkelijk was? Ik weet zeker dat mijn schooltijd er anders had uitgezien. Makkelijker. Lichter. Liefdevoller.
Ik geloof dat opvoeden, onderwijzen en begeleiden niet alleen gaat over kennis en vaardigheden. Het gaat over het zien van een kind. Niet: Hoe goed ben je in taal, rekenen of sport? Maar: Wat maakt dat jij daar goed in bent?
Het gaat om het ontdekken van het onderliggende talent. Het unieke zaadje. De kern.
En dat is precies wat mijn werk vandaag zo bijzonder maakt. Dat ik mag kijken achter gedrag. Dat ik gevoelens zichtbaar mag maken. Dat ik samen met het kind of de jongvolwassene op zoek mag naar de onzichtbare puzzelstukjes.
Want soms zijn er stukjes die nooit zijn gezien. Stukjes die zijn weggestopt. Stukjes die niet mochten bestaan. Stukjes die ze zelf niet eens durfden aan te raken.
Ik merk dat elke keer dat ik iets nieuws leer, ik een laagje dieper zak. Dat ik weer een puzzelstukje van mezelf vind. En dat juist dát maakt dat ik anderen mag begeleiden bij hun eigen puzzeltocht.
En dan, ineens, zit daar die ouder tegenover me. Ze ploft neer. Ogen zwaar, schouders laag, een blik die schreeuwt: “Geef me een ticket naar een onbewoond eiland.”
“Mijn zoon zuigt me leeg,” zegt ze.
“Alles kost me zoveel energie. Ik loop op eieren.”
Ik ben benieuwd naar die eieren. Dus ik vraag door.
Het blijkt dat haar zoon een soort menselijke gewetensstem is. Staat de kraan een seconde te lang open? Hup, dicht. Licht laten branden? Klik, uit. Een nieuwe trui gekocht? Hij rolt met zijn ogen en zucht diep. Praten? Alleen als het ergens écht over gaat.
Aan tafel haakt hij af. Bij visite verdwijnt hij naar zijn kamer. School? Een energievreter. Hij komt thuis, gooit zijn tas in een hoek en verdwijnt in gedachten. ’s Avonds ontploft hij. Boos op zichzelf, op de wereld, op alles wat niet gaat zoals hij wil. Daarna sluit hij zich op. Misschien huilt hij zichzelf in slaap. Maar daar blijft de deur dicht.
En zij? Zij weegt elk woord. Elk gebaar. Ze ademt voorzichtig. Want één verkeerde toon en BOEM, de bom barst.
Maar in de schoolvakanties… ineens is hij ontspannen. Minder “alles is stom”, meer “gezellig”. Alsof er een verborgen knop is die zij maar niet kan vinden.
Ze kijkt me wanhopig aan en vraagt: “Kun jij hem helpen?”
Mijn antwoord? “Ja. Door jou te helpen.”
- Want wat spiegelt hij jou?
- Wanneer ben jíj boos?
- Wanneer trek jíj je terug?
- Wanneer voel jíj je niet goed genoeg?
- Waar zit jóuw onrust?
Kinderen zijn spiegels. Ze laten ons feilloos zien waar wij zelf nog mogen groeien. Zijn boosheid? Misschien jouw eigen weggestopte woede. Zijn perfectionisme? Misschien jouw onbewuste bewijsdrang. Zijn afsluiten? Misschien iets wat jij diep van binnen ook doet.
Hij houdt je een spiegel voor. Niet om je te straffen, maar om je uit te nodigen. Om te voelen. Om te kijken. Om te groeien.
Durf jij erin te kijken?