Boosheid, overprikkeling of gewoon zijn zin willen? Zo herken je het verschil
In de supermarkt, bij het snoepschap, gaat het mis. Je kind gilt, stampt, gooit zich bijna op de grond. Jij staat er wat verloren bij, met de blikken van andere klanten erbij.
Ik krijg deze vraag van ouders vaker dan je zou denken: wat is dit nou eigenlijk? Is dit een driftbui omdat hij moe is, is dit overprikkeling van een te volle winkel, of wil hij gewoon dat koekje en test hij of hij het krijgt als hij hard genoeg gilt?
Het antwoord bepaalt nogal wat over hoe je reageert. Laat me je meenemen in hoe ik daar zelf naar kijk.
Het verschil zit niet in het volume
Alle drie kunnen er hetzelfde uitzien: hard huilen, schreeuwen, op de grond gaan liggen. Wat mij helpt om onderscheid te maken, is niet hoe luid het is. Het is waar het kind op dat moment nog wél toegang toe heeft.
Bij drammen, het willen krijgen van iets, blijft een kind vaak nog contact houden. Het kijkt naar je, checkt je reactie, past het volume soms zelfs aan als je dichterbij komt of juist weggaat. Er zit een doel in: als het koekje komt, stopt het huilen relatief snel. Dat onderscheid, dat een driftbui een doel heeft en ophoudt zodra dat doel bereikt is, terwijl overprikkeling dat patroon niet volgt, beschrijft ook Educadora in hun uitleg over het onderscheid tussen de twee.
Bij overprikkeling is dat contact er juist niet, of nauwelijks. Een kind is dan niet meer aan het onderhandelen, het is even niet meer bereikbaar. Het geven van het koekje lost dan weinig op, omdat het probleem niet het koekje was.
En boosheid, waar staat die dan?
Boosheid is eigenlijk geen aparte categorie naast deze twee, het is vaker de emotie die zowel drammen als overprikkeling van buiten kleurt. Een kind dat zijn zin wil, klinkt boos. Een overprikkeld kind klinkt ook vaak boos. De boosheid zelf vertelt je dus niet meteen welke van de twee het is.
Wat wel helpt: kijk of er onder die boosheid iets anders zit, verdriet, teleurstelling, het gevoel niet gehoord te worden. Daarover schreef ik uitgebreider in Wat als haar boosheid eigenlijk verdriet is dat geen woorden vindt?
Drie signalen die ik zelf gebruik
Houdt het kind contact met jou? Bij drammen wel, in meer of mindere mate. Bij overprikkeling verdwijnt dat contact, het kind lijkt even niet te registreren dat jij er bent.
Wat gebeurt er als de aanleiding wegvalt? Krijgt het kind het koekje, of wordt de aandacht ergens anders naartoe geleid, en is de bui dan vrij snel voorbij? Dan wijst dat eerder op drammen. Blijft de ontlading net zo heftig doorgaan, ook nadat de directe aanleiding is opgelost? Dan wijst dat eerder op overprikkeling.
Wat ging eraan vooraf? Een lange, drukke dag, veel wisselingen, weinig rust, dat vergroot de kans op overprikkeling. Een simpel “nee” op een simpel verzoek, zonder een vermoeide of overprikkelde voorgeschiedenis, wijst eerder op een grens die getest wordt.
Ik gebruik deze drie vragen zelf ook als ik ouders help een situatie te ontrafelen, en het went, na een tijdje, om het steeds sneller te zien.
Waarom dit onderscheid uitmaakt voor hoe je reageert
Bij drammen helpt het om rustig te blijven en de grens vast te houden, ook al is dat in de supermarkt niet altijd makkelijk. Toegeven levert op de korte termijn rust op, en leert een kind op de langere termijn dat drammen werkt, wat het patroon eerder versterkt dan oplost.
Bij overprikkeling helpt grenzen stellen juist minder als eerste stap. Daar is eerst regulatie nodig, nabijheid, minder prikkels, rust, voordat er ruimte is voor een gesprek of een grens. Ik schreef hier uitgebreider over in Wat als het ‘lastige gedrag’ van je kind eigenlijk overprikkeling is?
Verwissel je de twee, dan werkt je aanpak vaak averechts. Grenzen stellen bij een overprikkeld kind voelt voor het kind als nog meer druk op een systeem dat al overvol zit. Toegeven bij drammen bevestigt juist het patroon dat je liever niet wilt aanleren.
Vragen die ouders me vaak stellen
Kan het ook allebei tegelijk zijn? Ja, dat zie ik regelmatig. Een kind dat al overprikkeld is, test soms ook nog een grens, omdat de weerstand om dat te doen op dat moment lager ligt. Kijk dan eerst naar regulatie, en pas daarna naar de grens.
Hoe leer ik dit sneller herkennen? Door achteraf, als het weer rustig is, terug te kijken: wat ging eraan vooraf, hield mijn kind nog contact met me, en wat gebeurde er toen de aanleiding wegviel. Na een paar keer zie je het patroon vaak sneller aankomen.
Is dit onderscheid ook bij oudere kinderen te maken? Ja, al verschuift de vorm. Bij een ouder kind zie je minder driftbuien en meer mopperen, dichtklappen of discussiëren, en gelden dezelfde vragen om het onderscheid te maken.
Wat als ik het verkeerd inschat op het moment zelf? Dat overkomt iedereen weleens, ook mij. Nabijheid en rust bieden is zelden verkeerd, ook als het achteraf toch vooral drammen bleek te zijn.
Terug naar het snoepschap
De blikken van andere klanten, het gilende kind op de grond. In dat moment is er weinig tijd om rustig na te denken.
Neem, zodra het kan, een moment om terug te kijken. Was er contact, was er een duidelijk doel, wat ging eraan vooraf. Dat antwoord vertelt je meer over de volgende stap dan het geluid van dat moment zelf ooit zou kunnen.
Blijkt het toch vooral drammen te zijn? Lees dan Boos omdat hij zijn zin niet krijgt: zo help je je kind reguleren voor concrete stappen om daarmee om te gaan.