Hoogbegaafd en vastgelopen: waarom het begint met gezien worden zoals je bent
Tegenover me zit iemand van tweeëntwintig. Ze praat rustig, kiest haar woorden zorgvuldig, en op een gegeven moment zegt ze: “Ik weet eigenlijk niet wanneer ik voor het laatst het gevoel had dat iemand me snapte.”
Ik hoor variaties op die zin vaker dan me lief is. Bij jongeren, bij jongvolwassenen, vaak hoogbegaafd, die vastlopen. Niet omdat ze niet slim zijn. Niet omdat ze niet kunnen. Omdat niemand hen heeft geleerd hoe ze zichzelf konden leren kennen.
Wat er ontbreekt, is zelden vaardigheid
Je kunt een kind veel leren: rekenen, lezen, plannen, op tijd komen. Wat je moeilijker leert, is een kind laten zien wie het is.
Bij hoogbegaafde kinderen gaat dat vaak mis, niet uit onwil, uit onwetendheid. Hun gedrag oogt soms goed geregeld, soms juist onhandelbaar, en allebei kan een vorm van dezelfde vraag zijn: zie je wat hier onder zit?
Ik denk weleens terug aan mijn eigen schooltijd. Aan hoe die eruit had gezien als er volwassenen waren geweest die verder keken dan mijn gedrag of mijn resultaten, naar wat daaronder zat. Ik weet niet zeker hoe het dan gelopen zou zijn. Ik vermoed dat het lichter was geweest.
Zien is iets anders dan beoordelen
In mijn werk luister ik naar wat iemand zegt. Meer nog naar wat iemand niet zegt. Naar de blik, de houding, de stilte. Naar de zin die drie keer bijna wordt uitgesproken en dan toch wegblijft.
Opvoeden, onderwijzen en begeleiden gaat niet alleen over kennis en vaardigheden. Het gaat over de vraag die zelden hardop gesteld wordt: niet hoe goed iemand is in taal, rekenen of sport, maar wat maakt dat iemand daar goed in is, en wat die persoon eigenlijk drijft.
Dat onderscheid lijkt klein. Voor een kind dat gewend is beoordeeld te worden op wat het laat zien, is het het verschil tussen gezien worden en bekeken worden.
Wat er gebeurt als iemand het wél ziet
Een kind dat zich gezien voelt, laat meer van zichzelf zien. Een antwoord dat iets langer wordt. Een vraag die eindelijk wel gesteld wordt. Een stap buiten het vertrouwde, gezet omdat het nu veilig genoeg voelt om te vallen.
Dat is geen toeval. Zodra iemand ophoudt te sturen op gedrag en begint te kijken naar wat eronder zit, verandert er iets in de ruimte tussen die twee mensen. Er hoeft niet meer bijgeschaafd, verkleind of aangepast te worden. Er is ruimte om te ontdekken waar iets past, in plaats van het te forceren.
Wat dit voor jou als ouder, leerkracht of begeleider betekent
Je hoeft niet alles te sturen. Je mag meelopen.
Dat is misschien de grootste verschuiving: van iemand die het kind moet vormen naar iemand die het kind helpt zichzelf te leren kennen. Dat vraagt niet meer kennis, het vraagt een andere manier van kijken. Eerst waarnemen, dan pas duiden.
Bij jongeren en jongvolwassenen die al langer zoeken, telt dat dubbel. Ze zijn op zoek naar wie ze zijn, waar ze naartoe willen, waarom ze zich al zo lang anders voelen. Wat ik daar telkens weer zie: het begint met iemand die verder kijkt dan de cijfers, verder dan het gedrag, naar de mens daarachter.
Waar het toe kan leiden
Tegenover me, die middag, ontspant iets in de schouders van die jonge vrouw van tweeëntwintig, ergens halverwege het gesprek. Niet omdat er een oplossing is gevonden. Omdat er voor het eerst in lange tijd iemand meekijkt in plaats van beoordeelt.
Dat is waar dit werk om draait. Niet het bijschaven van wie iemand is. Het helpen ontdekken waar de stukken die er al waren, altijd al hoorden.
Wil je gedrag bij hoogbegaafde kinderen beter leren lezen, voordat het uitgroeit tot het gevoel van deze jonge vrouw? Download de gratis checklist ’13 signalen: lastig gedrag in de klas, wat als het iets anders is?’